Sterrenstront (2016)

Hoera! Ik kreeg een cadeaubon van mijn kinderen om eens chique te gaan eten. Honderd euro, mijn kleinkinderen hadden ook meebetaald, dus juichte en zwaaide ik naar mijn vrouw met dat interessant bonnetje.

In het dorp was er zopas een gastronomisch restaurant geopend en daar kon je lekker eten had ik gehoord. Alhoewel ik ‘lekker gaan eten’ wel anders interpreteer dan de meeste fanatieke sterrenrestaurantbezoekers, kon ik de verleiding toch niet weerstaan om mijn wettelijke tafelgenoot te overtuigen onze knieën voor een keer onder een luxueuze tafel te steken. Terwijl ik de prijzige menukaart bekeek dwaalden mijn gedachten af naar een totaal andere context van het begrip ‘chique gaan eten’. Eigenlijk wilde ik meteen weer naar huis. Ik probeerde met al mijn krachten en ook omwille van mijn vrouw, mezelf te overtuigen dat ik geen absurde beslissing had genomen. We hadden plaats gereserveerd in een sterrenrestaurant, punt. De mensen aan de andere Louis Quinze tafeltjes kwamen, naar mijn mening, zeker niet uit het dorp, maar ergens van Wallstreet New York, of toch minstens uit de chique Franse elitestad Deauville. Het aperitiefje. Ja, voor die prijs aten wij thuis bijna een volledige maaltijd dacht ik, maar goed die cadeaubon zal er wel voor zorgen dat mijn maagzuur niet zal opborrelen bij het bekijken van de eindberekening. Dat zou heel spijtig zijn want op de kaart was niets anders te bespeuren dan zeldzaam en duur voedsel. Geen lasagne, geen steak, geen spaghetti. Enfin, met mijn pas gewassen jeansbroek en een oud wit hemd zag ik er naar de mening van mijn vrouw toch wel keurig uit. Ik plooide het grote servet uit over mijn knieën en bekeek vervolgens de kaart zoals een echte volksvertegenwoordiger dat zou doen. ‘Laat je maar eens gaan!’ zei ik een beetje spottend tegen mijn vrouw. ‘Heu...’ verder geen enthousiasme. ‘Bon, we slaan het aperitiefje dan maar over zeker?’ vroeg ik. Mijn vrouw trok twijfelend haar schouders op. We maakten onze keuze.

Weer was ik in gedachten verzonken. Ik zag het duur voer van gedaante veranderen in mijn ingewanden. Ik zag al dat lekkers, voor mij wat te weinig, kunstig gegarneerd op porseleinen bordjes, in mijn maag verdwijnen. Ik kon mij, met een beetje fantasie, inbeelden hoe het er binnen een paar uur zou uitzien. Dat wordt morgen de duurste stront die ik ooit gedeponeerd zal hebben realiseerde ik plots. Het was mij wel een troost dat alle rijkelijk spenderende aanwezigen hier, morgenvroeg nog duurdere stronten zouden moeten achterlaten. Enfin, rijk of arm, mooi of lelijk, groot of klein, stront is stront en dat krijg je toch nooit verkocht op de beurs… alhoewel? Maar goed het was lekker. Dat bevestigde mijn tafelgenoot ook spontaan. Toch kon ik mijn gedachten niet verplaatsen. Ik keek even rond. De elitemensen zaten helemaal anders aan tafel dan ikzelf. Ze zaten zo recht als de kaars in het zilverwerk voor hen. Het hoofd omhoog, het voedsel uitgerekend traag naar hun mond te transporteren. Nu en dan nipten ze aan hun Ducru-Beaucaillou wijntje dat onderaan op de wijnkaart aangeschreven stond als exclusief. Dat had ik meteen ook bemerkt toen ik de wijnkaart in handen kreeg. ‘Voor de prijs van dat flesje wijn kunnen we op vakantie’ had ik tegen mijn vrouw gefluisterd, waarop ze in een te luide lach schoot en iedereen naar ons zat te kijken. Zelfs de chef himself loerde even vanuit zijn keukenvenster in onze richting. Ik kon het niet laten, spontaan hees ik mijn kristal met ‘Chateau de la pompe’ glimlachend op naar het publiek. Verwonderde, afwijzende blikken volgden. We waren hier duidelijk niet op onze plaats. Ik probeerde mijn houding wat aan te passen aan de etiquette van het moment, maar voor het blote-jurken-interieur in het restaurant was dat een poging van niets. Een paar ondoordachte pogingen om de jetset na te bootsen bij hun eetgedrag mislukten schromelijk, met als gevolg dat er meer naast mijn bord dan in mijn mond arriveerde. Nu kreeg mijn vrouw er nog de slappe lach bij ook. Dat was helemaal verkeerd, in een sterrenrestaurant mag je je glas water niet heffen, niet luid lachen en zeker geen onbedwingbare slappe lach krijgen waarbij de tranen op het geborduurd tafelkleed neervallen. Daarvoor moet je in een snackbar, een McDonald’s of een binnenhuisfrituur zijn meende ik. We vroegen de rekening aan de groen lachende ober die aarzelend vroeg of er nog een dessert moest zijn. Mijn vrouw startte haar tweede slappe lachbui. In een poging om alles nog wat te normaliseren liet ik de zwetende man weten dat we naar huis moesten.‘Complement voor de chef!’ riep ik hem nog na ‘Het was heel lekker!’ Toen kwam hij met de rekening…

Lucas Moor