Terug onder de levenden (2014)

Mijn vader zaliger zou gezegd hebben: 'Jongen hou het maar op 't gemak na die operatie aan je 'pander-upsiets'! (Appendix) Hij zou mij een kruisje op mijn voorhoofd gegeven hebben en zeggen:'De-zeven-ste-februari'. (God-zegen-en-God-beware-u) Mijn vader was een meester in absurde woordspelingen, en men zegt wel eens dat ik dat van geen honden deel.

Buikpijn op een vrijdagvond, daar gaan we weer. Als ik iets krijg dan is het altijd in ’t weekend. Een dokter van wacht? Ik heb het al moeilijk om sowieso mijn huisdokter te bellen. Godver, godver! ‘Let maar op dat het geen appendix is!’ merkte mijn vrouw op. ‘De pander-upsiets? Dat is toch niet meer voor mijn leeftijd!’ ‘Dat is voor alle leeftijden, bel toch maar eens naar die dokter van wacht!’ ‘Ja, ja…’ Een paar pijnstillers van mijn schouderoperatie een maand geleden zouden het wel oplossen. Toen begon het griepachtig gevoel, de koorts en het bezorgd nadenken over wat mijn vader ooit over zijn ‘pander-upsiets’ had verteld. Hij vertelde ons, als we een kersenpit zouden inslikken, dat er een kerselaar in onze ‘pander-upsiets’ zou groeien. Als we eens durfden scheel kijken dat onze ogen zo zouden blijven staan als de wind draaide. Als we de hik hadden dat dit kwam doordat we onze scheten inhielden. Dat we de worst met vel en al moesten naar binnen spelen omdat we dan geen wc-papier zouden nodig hebben daar onze strontjes mooi verpakt naar buiten zouden komen. Als we stout waren zou hij ‘onze trotter’ uithalen. Tot op heden heb ik nooit geweten waar die ‘trotter’ ergens in onze buikholte zat. Zijn beeld over anatomie was, achteraf gebleken, toch niet zo geloofwaardig te noemen, maar toch denk ik op zulke momenten wel eens terug aan mijn vader.

De maandagmorgen belde ik toch maar naar mijn huisdokter. In de namiddag kwam ik op de afspraak samen met mijn vrouw. ‘Ja, je vrouw zou wel eens gelijk kunnen hebben,’ zei hij, nadat hij mijn buik had bepoteld. ‘Hier twee straten verder kun je een echo laten nemen, ik bel die dokter op dat je eraan komt!’ ‘Maar gouw zeg, dat kan niet!’ zei ik. ‘Maar gouw zeg, dat kan niet,’ zei ik ook tegen de vrouwelijke arts die de echo nam, ‘mijn vrouw had gezegd…’ ‘Vrouwen hebben altijd gelijk,’ zei ze, ‘rij maar naar de spoed!’ ‘Maar gouw zeg!!’ Een uurtje later beleefde ik een déjà vu toen ik door diezelfde gangen van de vorige maand, weer naar de operatietafel werd gebracht. ‘Moest het zijn dat je mijn ‘trotter’, of iets anders dat er niet hoeft te zijn ergens tegenkomt, snij dat gerust ook maar weg hoor!’ ‘Wat meneer?’ ‘Heu, niets ik ben aan ’t zeveren, dat zal wel door dat kalmeerpilletje zijn zeker?’ ‘Ja, mensen doen soms raar als de verdoving begint…’ ‘Maar… vader m…moest daarvoor niet verd…oo.’ ‘Maar gouw zzzzzzz…’

Lucas Moor